Spring naar content

5.1 God komt tot mensen via zijn woord. De profeet Jesaja spreekt erover hoe God door zijn woord handelt in de wereld:
Jesaja 55:10-11

Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel
en daarheen niet terugkeert
zonder eerst de aarde te doordrenken,
haar te bevruchten en te laten gedijen,
zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten –
zo geldt dit ook voor het woord
dat voortkomt uit mijn mond:
het keert niet vruchteloos naar mij terug,
niet zonder eerst te doen wat ik wil
en te volbrengen wat ik gebied.

5.2 In de Thora (Tauraat) beval God aan Mozes om een tabernakel* te maken voor de eredienst, als een teken van zijn aanwezigheid onder zijn volk. God is de soevereine Heer; maar Hij wil ook in een nauwe relatie tot zijn volk staan. Dit zijn de geboden die door God aan Mozes werden geopenbaard:
Leviticus 26:1-2, 11-12

Maak geen afgodsbeelden, zet geen godenbeelden neer, richt geen gewijde stenen op en plaats in jullie land geen stenen met afbeeldingen om je daarvoor neer te buigen, want ik, de HEER, ben jullie God. Neem steeds mijn sabbat* in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER.
(…)Mijn woning zal in jullie midden staan en ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen. Ik zal in je midden verkeren; ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk.

5.3 Exodus 29:44-46
Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen, evenals Aäron en zijn zonen, zodat ze mij als priester kunnen dienen. Ik zal te midden van de Israëlieten wonen, en ik zal hun God zijn. En zij zullen inzien dat ik, de HEER, hun God ben, die hen uit Egypte bevrijd heeft om in hun midden te wonen. Ik ben de HEER, hun God.

5.4 God openbaarde door de profeet Ezechiël dat Hij eenmaal op een nieuwe manier onder zijn volk zou komen wonen:
Ezechiël 37:26-27.

Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond* dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

5.5 Op dezelfde manier verklaarde God tegenover de profeet Maleachi dat Hij naar zijn tempel* zou komen:
Maleachi 3:1

Let op, ik zal mijn bode zenden; hij zal de weg voor mij effenen. Opeens zal hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond* naar wie jullie verlangen. Komen zal hij – zegt de HEER van de hemelse machten.

5.6 God openbaarde door de profeet Jesaja dat Hij zijn heerlijkheid aan de gehele mensheid zou openbaren:
Jesaja 40:3-5

Hoor, een stem roept:
‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,
effen in de wildernis een pad voor onze God.
Laat elke vallei verhoogd worden
en elke berg en heuvel verlaagd,
laat ruig land vlak worden
en rotsige hellingen rustige dalen.
De luister van de HEER zal zich openbaren
voor het oog van al wat leeft.
De HEER heeft gesproken!’

5.7 Het oude testament bevat vele beloften en profetieën dat God zich op meer volledige wijze aan de wereld zal gaan openbaren. De profeet Micha profeteert bijvoorbeeld dat God uit David een nakomeling zal doen voortkomen om over het volk te regeren:
Micha 5:1

Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer.

Gebeden
5.8 In de Psalmen (Zaboer) is de profeet vol vreugde, omdat God komt om de wereld in gerechtigheid te besturen.
Psalm 96:10-13

Zeg aan de volken: ‘De HEER is koning.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet.
Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’
Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen,
de zee bruisen en alles wat daar leeft.
Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit,
laten alle bomen jubelen
voor de HEER, want hij is in aantocht,
in aantocht is hij als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal hij de wereld berechten,
de volken oordelen, trouw aan zijn woord.

5.9 De profeet Jesaja belijdt de zonden van het volk; hij verlangt ernaar dat God zichzelf op een dramatische manier zal openbaren zoals Hij in het verleden ook heeft gedaan:
Jesaja 63:19b – 64: 8

Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!
De bergen zouden voor u beven.
Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet,
zoals vuur water doet koken,
zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen
en alle volken voor u laten beven,
omdat u de geduchte daden doet
waarop wij niet durven hopen.
Als u toch zou afdalen!
De bergen zouden voor u beven.
Nog nooit is zoiets gehoord,
niet eerder zoiets vernomen.
Geen oog zag ooit een god buiten u,
die opkomt voor wie op hem wacht.
U komt ieder tegemoet
die van harte rechtvaardig handelt,
die uw weg gaat, met u voor ogen.
Maar nu bent u in toorn ontstoken,
omdat wij gezondigd hebben.
Hadden we maar de oude weg gevolgd,
dan zouden we worden gered.
Wij allen zijn onrein geworden,
onze gerechtigheid is als het kleed
van een menstruerende vrouw.
Wij allen zijn als verwelkte bladeren,
verwaaid op de wind van ons wangedrag.
Er is niemand die uw naam aanroept,
die zich ertoe zet uw hand te grijpen.
U hebt uw gelaat voor ons verborgen,
u hebt ons moedeloos gemaakt
en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.
Toch, HEER, bent u onze vader,
wij zijn de klei, door u gevormd,
wij zijn het werk van uw handen.
Laat uw grote toorn toch varen, HEER,
houd onze schuld niet steeds in gedachten,
maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk?

 

Scroll naar boven