Spring naar content

4.1 In de Psalmen (Zaboer) zegt de profeet David dat God is als een vader die zijn kinderen liefheeft en voor hen zorgt:
Psalm 103:8-14

Liefdevol en genadig is de HEER,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.
Niet eindeloos blijft hij twisten,
niet eeuwig duurt zijn toorn.
Hij straft ons niet naar onze zonden,
hij vergeldt ons niet naar onze schuld.
Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie hem vrezen.
Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft hij onze zonden van ons verwijderd.
Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen,
zo liefdevol is de HEER voor wie hem vrezen.
Want hij weet waarvan wij gemaakt zijn,
hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd.

4.2 In de Thora (Tauraat) openbaarde God aan Mozes dat Aäron en de priesters* bepaalde offers of offergaven moesten brengen om de mensen van hun zonden te reinigen. De volledige betekenis van deze offers werd pas geopenbaard bij de komst van Jezus de Messias:
Leviticus 9:7

Tegen Aäron zei Mozes: ‘Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de HEER bevolen heeft.’

4.3 Naast de dagelijkse offers was er elk jaar een dag, die de grote verzoendag werd genoemd, waarop speciale offers werden gebracht:
Leviticus 16:5-10, 21-22

Van de Israëlieten moet hij twee bokken voor een reinigingsoffer in ontvangst nemen en een ram voor een brandoffer. De stier biedt Aäron aan als reinigingsoffer namens zichzelf, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. De beide bokken moet hij naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, moet hij door loting vaststellen welke bok bestemd is voor de HEER en welke voor Azazel. De bok die door het lot voor de HEER bestemd is, moet hij als reinigingsoffer opdragen; de bok die door het lot bestemd is voor Azazel moet levend voor de HEER blijven staan om verzoening mee te bewerken, en daarna de woestijn in worden gestuurd, naar Azazel.
(…)Hij legt dan zijn beide handen op de kop van de bok en spreekt alle wandaden en vergrijpen van de Israëlieten openlijk uit, alle zonden die ze hebben begaan. Zo legt hij alle zonden op de kop van de bok. Daarna moet hij het dier de woestijn in sturen, onder de hoede van iemand die daarvoor is aangewezen. De bok neemt alle zonden van het volk met zich mee, naar een verlaten gebied.

4.4 Jezus de Messias vertelde de volgende gelijkenis over de noodzaak van nederigheid en berouw tegenover God. Hoewel de Farizeeër* (iemand die onderricht gaf in de joodse wet) zorgvuldig de wet gehoorzaamde, werd hij door God niet vergeven, omdat hij trots was op zichzelf en zijn prestaties. Maar de tollenaar (iemand die voor de Romeinse bezetter belasting inde), die waarschijnlijk oneerlijk en niet populair was in de toenmalige maatschappij, kreeg wel vergeving, omdat hij wist dat hij geen recht had op Gods genade en niets kon doen om vergeving te verdienen:
Lukas 18:9-14

Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. ‘Twee mensen gingen naar de tempel* om te bidden, de een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’

4.5 Maar hoe vergeeft God? Wanneer Hij een rechtvaardig rechter is, hoe kan Hij de schuldigen dan zomaar vergeven? Door de mond van de profeet Jeremia openbaart God dat het voor Hem niet gemakkelijk of een lichte zaak is om mensen te vergeven die zich van Hem hebben afgekeerd:
Jeremia 5:7,9

‘Waarom zou ik jullie vergeven?
Jullie kinderen hebben mij verlaten,
zij zwoeren bij wat geen goden zijn.
(…)Zou ik zo’n volk niet straffen?
– spreekt de HEER.
Zou ik mij niet wreken
op een volk dat zoiets doet?

4.6 Door de mond van de profeet Hosea openbaart God echter dat Hij vanwege zijn liefde voor de mensen hen niet wil veroordelen en verdoemen op de wijze die ze verdienen. Deze spanning tussen de heiligheid en de liefde van God wordt alleen opgelost in wat God deed door Jezus de Messias:
Hosea 11:8

Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven?
Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël?
Zou ik je prijsgeven als Adma,
je laten ondergaan als Seboïm?
Mijn hart wordt verscheurd,
door barmhartigheid word ik bewogen.

Een gebed
4.7 In de Psalmen (Zaboer) drukt de profeet de vreugde uit, die voortkomt uit het weten dat zijn zonden reeds vergeven zijn:
Psalm 32:1-7

Van David, een kunstig lied.

Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,
van wie de zonden worden bedekt.
Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt,
als in zijn geest geen spoor van bedrog is.
Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg,
kreunend leed ik, de hele dag.
Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht,
mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela
Toen beleed ik u mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ –
en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela
Laten uw getrouwen dus tot u bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen niet bereiken.
Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood
en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela

 

Scroll naar boven