Spring naar content

1.1 De Thora (Tauraat) die geopenbaard werd aan Mozes, vertelt ons dat ons leven geen toeval of noodlot is, maar dat God in zijn oneindige wijsheid en creativiteit de hele kosmos, hemel en aarde, uit niets geschapen heeft. Hij schiep de mens, man en vrouw en gaf hen de aarde om te bouwen en te bewaren:
Genesis 1 – 2:3

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.
God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.
God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.
God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.

1.2 De Thora (Tauraat) die geopenbaard werd aan Mozes, verbiedt iedere vorm van afgoderij. De eerste twee van de tien geboden verklaren dat er slechts één God is en dat alleen Hij aanbeden mag worden:
Exodus 20:3-5:

Vereer naast mij geen andere goden.
Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij.

1.3 Toen Jezus de Messias gevraagd werd welke van al de geboden van het Oude Testament de belangrijkste was, citeerde Hij uit de Thora (Tauraat) die door Mozes aan het volk Israël werd geopenbaard:
Marcus 12:29-30:

Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.”

1.4 De apostel Paulus veroordeelt afgoderij samen met andere ernstige zonden:
Galaten 5:19-21:

Het is bekend wat onze eigen wil allemaal teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk* van God.

1.5 De apostel Johannes noemt afgoderij onder de zonden die veroordeling in de hel verdienen:
Openbaring 21:8:

Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.’

1.6 In de Psalmen (Zaboer) roept de profeet de mensen op om God te prijzen voor zijn grootheid die geopenbaard wordt in het universum dat Hij geschapen heeft:
Psalm 33:1, 4-9

Juich, rechtvaardigen, voor de HEER,
de oprechten moeten hem loven.
Oprecht is het woord van de HEER,
alles wat hij doet is betrouwbaar.
Hij heeft recht en gerechtigheid lief,
van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.
Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,
door de adem van zijn mond het leger der sterren.
Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,
hij bergt de oceanen in schatkamers weg.
Laat heel de aarde vrezen voor de HEER,
en wie de wereld bewonen hem duchten,
want hij sprak en het was er,
hij gebood en daar stond het.

1.7 In de Psalmen (Zaboer) roept de profeet ook op om God te aanbidden als degene die zich heeft geopenbaard door zijn machtige daden in de geschiedenis:
Psalm 105:1-6

Loof de HEER, roep luid zijn naam,
maak zijn daden bekend onder de volken,
zing en speel voor hem,
spreek vol lof over zijn wonderen,
beroem u op zijn heilige naam.
Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.
Zie uit naar de HEER en zijn macht,
zoek voortdurend zijn nabijheid.
Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan,
de oordelen die hij heeft uitgesproken,
nageslacht van Abraham, zijn dienaar,
kinderen van Jakob, door hem verkozen.

1.8 Gebeden van aanbidding uit de Psalmen (Zaboer), die de vreugde en dankbaarheid van de gelovige tot uitdrukking brengen, zijn ontzag voor God en zijn vertrouwen op Hem als zijn Schepper:
Psalm 95:1-7

Kom, laten wij jubelen voor de HEER,
juichen voor onze rots, onze redding.
Laten wij hem naderen met een loflied,
hem toejuichen met gezang.
De HEER is een machtige God,
een machtige koning, boven alle goden verheven.
Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde,
de toppen van de bergen behoren hem toe,
van hem is de zee, door hem gemaakt,
en ook het droge, door zijn handen gevormd.
Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding,
knielen voor de HEER, onze maker.
Ja, hij is onze God
en wij zijn het volk dat hij hoedt,
de kudde door zijn hand geleid.

Psalm 139:1-6, 13-14
Voor de koorleider. Van David, een psalm.
HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten,
ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,
met al mijn wegen bent u vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong,
of u, HEER, kent het ten volle.
U omsluit mij, van achter en van voren,
u legt uw hand op mij.
Wonderlijk zoals u mij kent,
het gaat mijn begrip te boven.
(…)U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

 

Scroll naar boven